27 augustus 2026 - 6 min leestijd

TNO: productiviteitswinst begint op de werkvloer

De Nederlandse industrie kampt met personeelstekorten en een achterblijvende groei van de arbeidsproductiviteit. Meer technisch personeel opleiden lijkt een logische oplossing, net als verdergaande automatisering en robotisering. Maar daarmee zijn we er niet, stelt TNO. Een belangrijk deel van de productiviteitswinst moet binnen maakbedrijven zelf worden gevonden. En daarbij zijn niet alleen machines en robots, maar juist ook de mensen op de werkvloer bepalend.

Het Nederlandse debat over productiviteit draait voor een belangrijk deel om mensen. Er zijn te weinig technici, de instroom in technische opleidingen moet omhoog en bedrijven moeten aantrekkelijker worden voor internationaal technisch talent. Het zijn stuk voor stuk relevante maatregelen. Maar volgens TNO dreigt daardoor een belangrijk deel van het productiviteitsvraagstuk onderbelicht te blijven.

In het rapport Industriebeleid met aandacht voor kwaliteit van werk, dat TNO in opdracht van FNV Metaal heeft opgesteld, wijzen onderzoekers Steven Dhondt en Peter Oeij erop dat productiviteit uiteindelijk niet op de arbeidsmarkt, maar binnen bedrijven tot stand komt. Daar wordt bepaald hoe efficiënt machines en mensen worden ingezet, hoe productieprocessen zijn georganiseerd en in hoeverre nieuwe technologie daadwerkelijk tot betere prestaties leidt.

Dat is met name voor de machinebouw en maakindustrie een interessante constatering. Juist deze sectoren investeren volop in automatisering, robotisering, digitalisering en AI. De gedachte dat technologie automatisch tot een hogere productiviteit leidt, is volgens de onderzoekers echter te eenvoudig.

Industrie presteert niet slecht

Opvallend is om te beginnen dat TNO het beeld nuanceert van een industrie die door een tekort aan mensen steeds verder vastloopt. De werkgelegenheid in de Nederlandse industrie is de afgelopen jaren juist sterk gegroeid. Tussen 2014 en 2024 namen het aantal banen en het arbeidsvolume samen met meer dan 300.000 toe. Dat gebeurde terwijl de internationale concurrentie toenam en tegelijkertijd door vergrijzing veel werknemers uitstroomden.

Ook de financiële prestaties van industriële bedrijven geven geen aanleiding om van een algemene crisis te spreken. Het percentage bedrijven dat een stijgende arbeidsproductiviteit rapporteert, bleef redelijk stabiel. De Metalektro laat een vergelijkbaar beeld zien.

Daar staat iets anders tegenover. Bedrijven slagen er weliswaar in meer mensen aan het werk te krijgen, maar investeren niet automatisch voldoende in de manier waarop die mensen werken. En juist daar ziet TNO een probleem ontstaan.

De trainingsinspanningen van Nederlandse werkgevers zijn in vijftien jaar tijd met 9 procent afgenomen. In de industrie is die teruggang zelfs 13 procent. Tegelijkertijd loopt ook de procesinnovatie terug. Minder bedrijven geven aan dat zij nieuwe of aanzienlijk verbeterde productie- of werkprocessen hebben ingevoerd. Bij de kleinste bedrijven ligt het percentage dat procesinnovatie rapporteert inmiddels onder de 10 procent.

Dat laatste is voor de maakindustrie extra relevant. Het Nederlandse industriële ecosysteem bestaat immers voor een belangrijk deel uit kleinere en middelgrote toeleveranciers. Juist daar kan het ontbreken van tijd, kennis en investeringsruimte vernieuwing afremmen.

Niet alleen méér technici

Daarmee komt TNO tot een interessante draai in het productiviteitsdebat. Nederland kan proberen steeds meer technici op te leiden, maar zou zich ook moeten afvragen of het aanwezige technische talent wel optimaal wordt benut.

In tien jaar tijd zijn er volgens cijfers die TNO aanhaalt ongeveer 400.000 technici bijgekomen. Nederland telt inmiddels circa 1,9 miljoen technici. Tegelijkertijd wordt ongeveer de helft van de technische functies vervuld door mensen zonder een technische opleiding, terwijl technisch geschoolden op hun beurt ook naar niet-technische functies vertrekken.

Voor maakbedrijven betekent dit dat behoud en ontwikkeling van bestaande medewerkers minstens zo belangrijk kunnen zijn als nieuwe instroom. Scholing hoeft daarbij volgens TNO niet per definitie in een klaslokaal plaats te vinden. Juist werkplekleren, gekoppeld aan concrete technologische veranderingen in een bedrijf, kan snel resultaat opleveren.

Denk aan een verspaner die leert werken met nieuwe digitale procesbewaking, een operator die samen met een integrator een robotcel optimaliseert of een onderhoudsmonteur die met sensordata voorspellend onderhoud leert uitvoeren. Technologie en scholing worden dan niet als afzonderlijke trajecten behandeld, maar als onderdeel van hetzelfde productieproces.

Robot alleen is niet genoeg

Dat leidt ook tot een andere kijk op automatisering. In de Metalektro ziet TNO volop mogelijkheden voor robotisering, sensoren, planningstools, onderhoudssystemen, geautomatiseerde kwaliteitscontrole, AI en datagedreven processturing. Maar de onderzoekers waarschuwen ervoor deze technologie uitsluitend te benaderen als middel om kosten te verlagen.

De productiviteitswinst ontstaat juist wanneer technologie het vakmanschap op de werkvloer ondersteunt. Werknemers weten vaak als eerste waar machines stilstaan, overdrachten niet goed verlopen, kwaliteitsproblemen ontstaan of onnodige handelingen plaatsvinden. Hun kennis betrekken bij de invoering van nieuwe technologie kan daarom het verschil maken tussen simpelweg automatiseren en daadwerkelijk een productiever proces realiseren.

Dat klinkt misschien als een sociaal argument, maar TNO presenteert het nadrukkelijk als een economisch argument. Autonomie, regelruimte en mogelijkheden om tijdens het werk te leren, vergroten volgens de onderzoekers het vermogen van medewerkers om problemen op te lossen en verbeteringen door te voeren. Goed georganiseerd werk wordt daarmee zelf een productiviteitsinstrument.

Procesinnovatie verdient meer aandacht

Daar zit mogelijk een van de belangrijkste boodschappen voor de Nederlandse maakindustrie. Veel aandacht gaat uit naar technologische innovatie: een nieuwe machine, cobot, softwarepakket of AI-toepassing. Maar TNO ziet juist bij procesinnovatie een zorgwekkende ontwikkeling. Het aandeel bedrijven dat aangeeft een nieuw of aanzienlijk verbeterd proces te hebben ingevoerd, neemt af. Dat gebeurt zowel bij grote als kleine bedrijven en is ook zichtbaar in de Metalektro.

Een nieuwe machine aanschaffen is daarmee slechts één stap. Minstens zo belangrijk is de vraag wat er rond die machine gebeurt. Hoe loopt de order door de fabriek? Hoeveel tijd verdwijnt in planning, wachten en overdrachten? Hoe wordt kennis van operators benut? Welke werkzaamheden kunnen worden geautomatiseerd en welke juist beter door vakmensen worden uitgevoerd? TNO pleit daarom voor meer aandacht voor slimmer organiseren, het terugdringen van onnodige coördinatie en bureaucratie en het benutten van kennis op de werkvloer.

Voor het mkb kunnen samenwerkingsverbanden daarbij belangrijk worden. Learning Factories, skills labs en regionale innovatieprogramma’s kunnen kleinere bedrijven toegang geven tot technologie en kennis die zij zelfstandig moeilijk kunnen organiseren. Ook samenwerking met grotere maakbedrijven kan ervoor zorgen dat kennis over nieuwe productieconcepten sneller door de keten stroomt.

Van Industry 4.0 naar Industry 5.0

Daarmee sluit het rapport aan bij de Europese gedachte achter Industry 5.0. Waar Industry 4.0 vooral draaide om digitalisering, connectiviteit en slimme productie, legt Industry 5.0 nadrukkelijker de verbinding tussen technologie, mens en duurzaamheid.

Voor de maakindustrie betekent dat geen afscheid van automatisering. Integendeel. Robotisering, AI en digitalisering blijven volgens TNO belangrijke middelen om de productiviteit te verhogen. De vraag is alleen hoe ze worden ingevoerd.

De grootste winst ontstaat wanneer technologische innovatie en sociale innovatie samengaan: een betere machine én een beter proces; automatisering én nieuwe vaardigheden; meer data én medewerkers die weten hoe zij daarmee hun productieproces kunnen verbeteren.

Daarmee verlegt TNO de productiviteitsdiscussie van een tekort aan mensen naar het functioneren van de fabriek zelf. De vraag is niet alleen hoeveel technici Nederland nog kan vinden of opleiden. Minstens zo relevant is hoeveel meer de Nederlandse maakindustrie kan produceren met de mensen, kennis en technologie die er al zijn.

Deel dit artikel

Blijf op de hoogte, schrijf je in voor onze nieuwsbrief

Meld je aan voor de wekelijkse nieuwsbrief van TechniShow met al het nieuws uit de productietechnologie!
Aanmelden