LeydenJar heeft de Peter Wennink Tech Award 2026 gewonnen, een prijs van FME voor technologische doorbraken met economische en maatschappelijke impact in sectoren die werken aan oplossingen voor grote uitdagingen. De award werd uitgereikt door juryvoorzitter en voormalig ASML-topman Peter Wennink tijdens het 75-jarig jubileum van FME in het Louwman Museum in Den Haag.
LeydenJar ontwikkelt silicium-anodes voor lithium-ionbatterijen, waarmee de energiedichtheid met 50 tot 70 procent kan toenemen. Dat maakt batterijen krachtiger, sneller oplaadbaar en duurzamer, met groot potentieel voor toepassingen in elektrische mobiliteit en energieopslag.
De deeptech‑scale‑up behoort tot een selecte groep spelers wereldwijd die zuiver silicium commercieel toepassen in batterij‑anodes en neemt daarmee een sterke positie in binnen de ontwikkeling van Europese batterij- en energieopslagtechnologie. Het bedrijf is voortgekomen uit onderzoek van TNO en is gevestigd op het Leiden Bio Science Park.
Verdienvermogen
“Innovatie gaat over de stap van idee naar toepassing en uiteindelijk naar impact”, aldus Peter Wennink. “LeydenJar vertaalt fundamenteel onderzoek naar een industriële toepassing met sterk marktpotentieel en een grote aantrekkingskracht op talent. In een batterijmarkt die snel groeit door elektrificatie maken innovaties van dit type het verschil en versterken zij het verdienvermogen en de technologische positie van Nederland en Europa.”
“Deze prijs is een prachtige erkenning voor het werk van ons team en het potentieel van onze technologie”, reageert Christian Rood, CEO en medeoprichter van LeydenJar. “Met de opening van onze eerste commerciële fabriek in Brainport Eindhoven zetten we de volgende stap naar opschaling, zodat we een nieuwe generatie AI gedreven apparaten mogelijk maken. Daarmee laten we zien dat Nederlandse deeptech naast semicon ook nieuwe kansen biedt in batterijtechnologie.”
“Technologie bepaalt onder meer de energievoorziening, mobiliteit, veiligheid en economische kracht van vandaag en vormt het fundament onder onze welvaart van morgen. De genomineerden laten zien dat Nederland technologie van wereldniveau kan ontwikkelen en toepassen”, stelt Theo Henrar, voorzitter van FME. “Landen die technologie ontwikkelen en produceren bepalen hun economische en geopolitieke positie. Dat vraagt blijvende investeringen in opschaling en technisch talent.”
Erkenning
Naast LeydenJar waren Aquabattery en PAL-V genomineerd. Aquabattery ontwikkelt technologie voor grootschalige energieopslag in zoutwateroplossingen, als alternatief voor schaarse grondstoffen. PAL-V werkt aan de eerste gecertificeerde vliegende auto en creëert daarmee een nieuwe mobiliteitscategorie voor toepassingen waar snelheid en bereikbaarheid essentieel zijn. Samen laten deze innovaties zien hoe de Nederlandse technologische industrie werkt aan oplossingen voor de uitdagingen van morgen.
De Peter Wennink Tech Award werd in 2024 gelanceerd en destijds toegekend aan de naamgever zelf, als erkenning voor zijn enorme bijdrage aan de technologische industrie in Nederland. De prijs wordt dit jaar voor de tweede keer uitgereikt. Daarmee markeert FME de stap van erkenning van technologisch leiderschap naar het zichtbaar maken van concrete innovaties die markten kunnen veranderen. De prijs gaat naar een bedrijf dat zich onderscheidt door een technologische doorbraak met aantoonbare impact op markt en toepassing.
De Nederlandse industrie heeft in het eerste kwartaal van 2026 meer omzet geboekt dan een jaar eerder. Volgens cijfers van het CBS lag de totale industriële omzet 2,3 procent hoger dan in dezelfde periode van 2025. Vooral de maakindustrie liet daarbij herstel zien, met groei in onder meer de elektrotechnische industrie, machinebouw en voedingsmiddelenindustrie.
De cijfers wijzen op een voorzichtig herstel van de industriële markt na een langere periode van stagnatie. Eerder meldde het CBS al dat de productie van de Nederlandse industrie in maart 1,7 procent hoger lag dan een jaar eerder. Vooral machinebouwers en hightechbedrijven profiteren van een aantrekkende vraag.
Binnen de industrie blijven de verschillen echter groot. Sectoren zoals raffinaderijen en chemie hebben nog altijd last van prijsdruk en internationale onzekerheid, terwijl juist de elektrotechnische en machine-industrie relatief sterk presteren. In het vierde kwartaal van 2025 noteerde die branche al een omzetgroei van 3,8 procent. Ook de export speelt opnieuw een belangrijke rol voor de Nederlandse maakindustrie. Volgens recente CBS-cijfers groeide de uitvoer van machines en transportmiddelen eind vorig jaar, mede dankzij een voorzichtig aantrekkende Europese markt.
Ondanks de groei blijft het sentiment in delen van de industrie voorzichtig. Producentenvertrouwen staat nog altijd onder druk door geopolitieke onzekerheid, hoge kosten en zorgen over internationale handel. Toch lijken de nieuwste kwartaalcijfers erop te wijzen dat de Nederlandse maakindustrie langzaam uit het dal klimt.
Na een jaar BOOST Circulair trekken de initiatiefnemers een duidelijke conclusie: circulariteit draait in de maakindustrie allang niet meer alleen om duurzaamheid, maar vooral om continuïteit en economische weerbaarheid. Binnen het programma gingen vijftig ondernemers uit Gelderland en Overijssel het afgelopen jaar aan de slag met vraagstukken rond hergebruik, leveringszekerheid en slimmer omgaan met grondstoffen.
De resultaten van dat eerste jaar werden op 21 mei gedeeld tijdens een slotbijeenkomst met ondernemers, beleidsmakers en communityleiders. In vier zogeheten communities werkten bedrijven aan concrete toepassingen voor circulair ondernemen. Zo richtte het Remanufacturing Collectief zich op hergebruik en levensduurverlenging van machines en onderdelen, terwijl de Circulaire Staalketen onderzocht hoe donorstaal opnieuw ingezet kan worden. Ook gebruikte luchtkanalen en efficiënter materiaalgebruik stonden centraal binnen het programma.
Volgens projectleider Alex van Geldrop draait BOOST Circulair om het vergroten van de grondstoffenproductiviteit en het versterken van de regionale economie. Daarmee moet de afhankelijkheid van internationale grondstofstromen afnemen. Die urgentie groeit: zowel provincies als het Rijk zien circulaire maakindustrie steeds nadrukkelijker als strategisch speerpunt voor de toekomst van de Nederlandse industrie.
BOOST Circulair wordt uitgevoerd door Oost NL samen met onder meer FME, Koninklijke Metaalunie, Novel-T en BOOST Smart Industry. Het programma wordt ondersteund door de provincies Gelderland en Overijssel.
ABB Robotics heeft een nieuwe geautomatiseerde cel voor oppervlaktebewerking gelanceerd, gericht op bedrijven die hun schuur- en polijstprocessen willen automatiseren zonder direct een compleet maatwerktraject in te gaan. De zogeheten OmniVance Collaborative Surface Finishing Cell combineert een collaboratieve robot met gebruiksvriendelijke programmeersoftware en moet vooral interessant zijn voor mkb’ers in de maakindustrie.
De nieuwe cel is bedoeld voor repeterende oppervlaktebewerkingen zoals schuren, polijsten en finishen van metalen en andere materialen. Volgens ABB kan de installatie worden ingezet voor zowel vlakke onderdelen als complexe 3D-vormen. Daarmee richt de fabrikant zich nadrukkelijk op sectoren waar constante oppervlaktekwaliteit belangrijk is, maar waar automatisering tot nu toe vaak te complex of te duur werd gevonden.
Opvallend is dat ABB sterk inzet op eenvoud in bediening. Operators hoeven geen ervaren robotprogrammeurs te zijn: via een tabletinterface kunnen bewegingen worden ‘voorgedaan’ en vervolgens digitaal worden opgeslagen. Functies zoals 3D-padregistratie en vooraf ingestelde bewerkingspaden moeten de programmeertijd volgens ABB met maximaal 90 procent terugbrengen.
Laagdrempelig
De automatiseringsspecialist speelt daarmee in op een bredere trend binnen de Europese maakindustrie. Vooral kleinere productiebedrijven kampen met personeelstekorten, terwijl tegelijkertijd de vraag naar constante kwaliteit en reproduceerbaarheid stijgt. In veel metaal- en hightechbedrijven blijven oppervlaktebewerkingen bovendien fysiek zwaar en lastig te standaardiseren. ABB positioneert de nieuwe cel daarom nadrukkelijk als een laagdrempelige opstap naar verdere automatisering.
Volgens ABB levert automatisering van oppervlaktebewerking niet alleen hogere productiviteit op, maar ook minder uitval en nabewerking. Daarnaast moet de cel bijdragen aan betere arbeidsomstandigheden doordat medewerkers minder langdurig worden blootgesteld aan stofvorming en repeterende handelingen. De installatie is voorbereid op geïntegreerde stofafzuiging.
De introductie van de nieuwe finishingcel past binnen ABB’s bredere strategie rond ‘Autonomous Versatile Robotics’ (AVR), waarbij flexibiliteit en eenvoudige inzetbaarheid centraal staan. Het bedrijf presenteerde onlangs ook nieuwe collaboratieve oplossingen voor onder meer lassen, machinebelading en picking-toepassingen.
De Europese vraag naar halfgeleiders neemt de komende jaren sterk toe, vooral in sectoren waarin Europa traditioneel sterk is, zoals industriële automatisering, MedTech en mobiliteit. Richting 2040 verdubbelt de Europese vraag naar chips grofweg, zeker vanuit de Europese industrie waar de vraag naar chips groeit naar circa 2,4 keer het huidige niveau. Dat blijkt uit de European Semiconductor Demand Study. De vraag is er, maar vertaalt zich niet automatisch in investeringen in Europa. Daarom FME waarschuwt dat het onzeker is of de benodigde investeringen om hierop in te spelen loskomen en pleit voor gerichte politieke keuzes en gezamenlijke actie van industrie en eindmarkten om vraag en investeringen beter met elkaar te verbinden.
De studie is uitgevoerd door Strategy& in opdracht van een Duits-Nederlands publiek-privaat consortium van FME, ZVEI en de ministeries van Economische Zaken van Nederland en Duitsland, in aanloop naar een nieuwe Europese Chips Act. De onderzoekers concluderen dat Europa kansen heeft om zijn positie in de mondiale halfgeleiderketen te versterken, maar alleen als er nu wordt geïnvesteerd in randvoorwaarden en weerbaardere waardeketens door samenwerking met eindmarkten in Europa.
“Als we willen dat bedrijven hier blijven en investeren, moet het investeringsklimaat aantrekkelijker zijn dan elders”, aldus Theo Henrar, voorzitter van FME. “We zijn sterk in ecosystemen en samenwerking, maar investeringen om aan de toenemende vraag te voldoen, landen hier alleen als andere randvoorwaarden aantoonbaar beter worden. Met bijvoorbeeld meer technisch talent, snellere procedures en overheidsstimulering moeten we het hier kunnen opnemen tegen landen als Singapore en Taiwan.”
Chips Act 2.0
De eerste Europese Chips Act had als ambitie dat Europa 20 procent van de wereldwijde chipproductie zou leveren, maar dat doel is tot nu toe niet in zicht. Momenteel ligt het Europese marktaandeel in de wereldwijde halfgeleiderproductie rond circa 8%. De Europese Rekenkamer concludeerde eerder al dat een overtuigende businesscase en een gezamenlijke industrievisie om dit doel te bereiken grotendeels ontbraken.
Inmiddels is, door geopolitieke ontwikkelingen en de mondiale wedloop om technologisch leiderschap, het strategische belang van halfgeleiders verder toegenomen. Dat vormde voor EU-lidstaten aanleiding om in september 2025 op te roepen tot een ambitieuze vervolgstap (Chips Act 2.0). FME, ZVEI, de Europese koepel voor de technologische industrie Orgalim en industriële partijen onderschreven deze oproep en pleitten voor een aanpak gebaseerd op een strategische businesscase. Die is nu uitgewerkt in deze studie.
Risico’s en gaten
Volgens de studie groeit de vraag niet alleen in bestaande industriële toepassingen met Europese sterktes, maar ook in opkomende domeinen zoals kunstmatige intelligentie en datacenters. In die segmenten is vooral behoefte aan zeer geavanceerde chips, terwijl die ontwikkeling en productie in Europa nog beperkt is. Voor de meest geavanceerde chips (sub-7 nanometer) ligt het Europese aandeel momenteel rond circa 3%.
Zonder gerichte keuzes blijft Europa sterk afhankelijk van andere regio’s en kan het ook zijn bestaande sterktes in de halfgeleiderketen onvoldoende uitbouwen. Dat heeft direct effect op de positie van Nederland en Europa in de wereld.
De onderzoekers brengen ook kostenverschillen in kaart tussen Europa en andere halfgeleiderregio’s bij het opschalen van productie. Front-end productie in Europa is gemiddeld 15% tot 30% duurder dan in de meest kostenefficiënte Aziatische regio’s. Tegelijk laat de studie zien dat er bij diverse front-endprocessen en bij advanced packaging, waar het verschil circa 10%-20% is, kansen zijn om de kostenkloof te verkleinen. Dat vraagt wel om meer investeringen in robotisering en automatisering, lagere en stabiele energiekosten en het beter benutten van Europese sterktes.
“Europa moet zijn sterktes in de halfgeleiderketen beter benutten en gericht inzetten op toekomstige groeimarkten zoals industriële automatisering en MedTech”, voegt Henrar toe. “Daarbij mogen we niet naïef zijn over de afhankelijkheid in kritieke segmenten zoals defensie en kritieke communicatie-infrastructuur, als we onze weerbaarheid willen versterken.”
Betere randvoorwaarden voor chipinvesteringen
FME roept de Nederlandse en Europese politiek tevens op de randvoorwaarden voor investeringen in halfgeleiders substantieel te verbeteren. Dat vraagt om structurele keuzes, waaronder investeringen in automatisering en productiviteit, een gelijk speelveld voor energiekosten binnen Europa en lagere energiekosten voor Europa als geheel, versterking van het aanbod aan technisch talent, en meer gerichte en langjarige overheidsstimulering.
Op Europees niveau moet Chips Act 2.0 volgens FME ‘hyperambitieus’ zijn en verder gaan dan nationale investeringen in extra productiecapaciteit alleen. Naast het verbeteren van randvoorwaarden aan de aanbodzijde is het cruciaal dat ook de vraagzijde, via Europese eindmarkten, sterker wordt gekoppeld aan investeringen in Europese technologie en waardeketens in de halfgeleiderindustrie. Er moet ook expliciet gestuurd worden op Europese vraagontwikkeling en op het versterken van volledige waardeketens: van equipment en chipdesign tot toepassing in eindmarkten. Voor specifiek Nederland vraagt dit om ambitieuze opvolging van de recent gepubliceerde Semicon Visie 2035 en bijbehorende publiek-private investeringen.
De studie benadrukt dat halfgeleiders een sleutelrol spelen in vrijwel alle technologische sectoren, het is een ‘industry of industries’. Door de snelle opkomst van AI neemt dat belang verder toe. FME roept bedrijven daarom op om gezamenlijk scherper te kijken naar hun kwetsbaarheden in de keten: waar komen hun chips en andere kritieke onderdelen vandaan, waar zitten risico’s en welke samenwerking is nodig om de keten weerbaarder te maken. Ook als dat extra kosten met zich meebrengt. FME wil deze dialoog op basis van de studie met ondernemers faciliteren.
De Tweede Kamer spreekt op 28 mei over arbeidsmarktbeleid en arbeidsmarktdiscriminatie. Ter voorbereiding op het debat heeft de Techniekcoalitie, bestaande uit Koninklijke Metaalunie, BOVAG, FME, Techniek Nederland, Bouwend Nederland en WenB, gezamenlijk een inbreng geleverd. Daarin vragen de organisaties aandacht voor de structurele tekorten aan technici en de noodzaak van een sterke koppeling tussen onderwijs, arbeidsmarkt en arbeidsproductiviteit.
Volgens de Techniekcoalitie zijn de ambities van het kabinet op het gebied van wonen, energie en economie alleen haalbaar wanneer voldoende vakmensen beschikbaar zijn. Het huidige tekort bedraagt circa 60.000 technici en kan richting 2030 oplopen tot 100.000 tot 150.000. De organisaties waarderen de inzet van het kabinet op onderwijs, Leven Lang Ontwikkelen (LLO), zij-instroom en gerichte arbeidsmigratie, maar constateren ook dat de aanpak versnipperd blijft zonder concrete doelen en tijdpaden.
Meer aandacht
De Techniekcoalitie ziet kansen in de Nationale Talentstrategie die voor de zomer van 2026 wordt verwacht. Daarbij pleiten de organisaties voor meer aandacht voor technische, digitale en praktische vaardigheden binnen mbo en LLO. Ook vragen zij om versterking van de bbl-route, praktijkleren en begeleiding op de werkvloer.
Daarnaast benadrukt de coalitie het belang van sterkere doorlopende leerlijnen tussen onderwijs en bedrijfsleven en een structurele positie voor bedrijfsvakscholen, hybride techniekcentra en publiek-private samenwerking.
Volgens de organisaties werkt scholing in tekortsectoren het beste wanneer onderwijs en bedrijfsleven samen opleidingen ontwikkelen en uitvoeren. Daarom pleit de Techniekcoalitie ervoor om LLO structureel onderdeel te maken van het arbeidsmarkt- en scholingsstelsel, inclusief structurele financiering. De coalitie wijst er bovendien op dat een groot deel van de bij- en omscholing in de MKB-maakindustrie plaatsvindt via non-formele sectorgerichte opleidingen. Praktijkgerichte en flexibele leeromgevingen, zoals bedrijfsvakscholen en opleidingsbedrijven, spelen daarin volgens de organisaties een cruciale rol.
Begeleiding en samenwerking essentieel
Ook goede begeleiding krijgt nadrukkelijk aandacht in de inbreng. Volgens de Techniekcoalitie investeren mkb-bedrijven veel in begeleiding, maar is extra ondersteuning nodig om duurzame instroom en hogere arbeidsproductiviteit mogelijk te maken. Verder vragen de organisaties aandacht voor de Techniekroute, een gezamenlijk platform van werkgeversorganisaties, vakbonden en opleidingsfondsen dat gericht is op oriëntatie, begeleiding en instroom in technische sectoren. De Techniekcoalitie ziet hierin een belangrijke aanvulling op de publieke arbeidsmarktinfrastructuur. Tot slot benadrukken de organisaties dat goede en veilige gegevensuitwisseling tussen publieke partijen en technische sectoren noodzakelijk is om matching, begeleiding naar werk en duurzame plaatsingen verder te verbeteren.
De kalendergecorrigeerde productie van de Nederlandse industrie lag in maart 1,7 procent hoger dan in maart 2025, maakt het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) bekend. In de helft van de onderliggende branches groeide de productie in maart. Ten opzichte van februari steeg de productie van de industrie in maart met 2,8 procent.
De helft van alle bedrijfsklassen in de industrie produceerde in maart meer dan in dezelfde maand een jaar eerder. Van de acht grootste branches realiseerde de machine-industrie de grootste productiestijging, terwijl de elektrische en elektronische industrie de grootste daling noteerde.

Voor het bepalen van de kortetermijnontwikkeling van de productie kan het beste worden gekeken naar voor seizoen- en kalendereffecten gecorrigeerde cijfers. Van februari op maart steeg de productie met 2,8 procent.
De voor seizoen- en kalendereffecten gecorrigeerde productie fluctueert doorgaans aanzienlijk. Dalingen en stijgingen volgen elkaar snel op. In mei 2020 bereikte de productie van de industrie een dieptepunt. Daarna werd een stijgende lijn ingezet tot mei 2022, waarna de trend omsloeg. Sinds 2024 is het productieniveau gemiddeld genomen vrijwel hetzelfde gebleven.
Vertrouwen
Producenten waren in april even negatief als in maart. Het producentenvertrouwen industrie bleef staan op -0,7. Producenten waren minder positief over de verwachte bedrijvigheid, terwijl het oordeel over de voorraden gereed product verbeterde. Het producentenvertrouwen lag in april boven het gemiddelde van de afgelopen 20 jaar van -1,3. Het vertrouwen bereikte in oktober 2021 de hoogste waarde (10,5). In april 2020 werd de laagste waarde (-31,5) genoteerd.
Het vertrouwen van producenten in aardolie- en chemische industrie nam het sterkst toe. Producenten in de elektrotechnische en machine-industrie waren het meest positief (2,7), terwijl fabrikanten in de textiel-, kleding en lederindustrie het meest negatief waren (-7,9).
FME steunt de hernieuwde oproep voor een nationale investeringsbank en roept het kabinet op de instelling snel en slagvaardig uit te werken. In de technologische industrie blijven investeringen in opschaling en industrialisatie liggen door een gebrek aan voldoende risicodragende financiering.
“Het kabinet moet nu vaart maken”, stelt Theo Henrar, voorzitter van FME. “In onze achterban zien we projecten die klaar zijn voor opschaling, maar vastlopen in de financiering. Zolang de discussie vooral blijft draaien om structuur, krijgt het mandaat en de focus van de investeringsbank te weinig aandacht, terwijl ook nu al meer mogelijk is om investeringen te versnellen. Daardoor blijft de investeringspijplijn papieren potentieel en verplaatsen investeringen zich naar plekken waar dit instrument al functioneert, met directe gevolgen voor het toekomstige verdienvermogen van Nederland.”
Sterke investeringspijplijn
Het rapport‑Wennink bevestigt dit beeld. In het rapport zijn 51 investeringsvoorstellen uitgewerkt met een gezamenlijk potentieel van € 126 miljard. Zij laten zien dat Nederland een sterke investeringspijplijn heeft, over de volle breedte van strategisch-belangrijke domeinen zoals energie, digitalisering, zorg en veiligheid. De betrokken partijen geven aan te kunnen starten zodra financiering en randvoorwaarden op orde zijn.
De discussie in Den Haag draait momenteel vooral over de architectuur van een investeringsinstelling, zoals governance, kapitalisatie en inbedding. Dat is noodzakelijk, maar het succes hangt net zo sterk af van mandaat en focus: voor wie deze instelling bedoeld is, welke investeringen prioriteit krijgen en de mate waarin de bank ook risicovol kan financieren. Tegelijk vraagt dit om actie op de korte termijn: benut de ruimte binnen bestaande instrumenten nu al actief om investeringen te versnellen.
Volle breedte
Voor FME moet een nationale investeringsbank zich richten op de volle breedte van de technologische waardeketen: van start-ups en scale-ups tot innovatief mkb en gevestigde bedrijven. Een belangrijk deel van het verdienvermogen wordt buiten Nederland gerealiseerd. Een investeringsbank moet daarom ook export en internationale groei ondersteunen. De toegevoegde waarde ligt primair bij innovatie, opschaling en strategische waardeketens, waar bestaande instrumenten tekortschieten.
De maakindustrie staat onder druk. Arbeid wordt schaarser, productiviteit moet omhoog en internationale concurrentie neemt toe. Tegen die achtergrond presenteerde Van Dulst Techniek op de TechniShow 2026 een systeem dat precies op die pijnpunten inspeelt: een robotbeladingsoplossing voor lange aluminium profielen, aangestuurd door zelfontwikkelde software en visiontechnologie. Het lijkt een technische innovatie, maar raakt aan een veel bredere ontwikkeling binnen de industrie.
De inzet is helder: meer produceren met minder mensen. “We hebben te weinig mankracht, en zo’n robot hebben we nodig”, zegt Arjèn van Dulst, mededirecteur van het familiebedrijf. “Vier machines draaien. Ik bespaar één of twee mensen. Waarom zit dit niet standaard in het pakket?” De context waarin Van Dulst opereert, is inmiddels breed bekend, maar daardoor niet minder urgent. De arbeidsproductiviteit in Europa staat al jaren onder druk en is inmiddels ook een politiek thema. Om de industrie concurrerend te houden, is verdere automatisering onvermijdelijk.
Binnen de maakindustrie vertaalt die noodzaak zich naar een duidelijke trend: robotisering van arbeidsintensieve processen. Niet alleen om kosten te drukken, maar vooral om productie überhaupt draaiende te houden. Machines die 24/7 kunnen produceren, leveren een hogere bezettingsgraad en daarmee een kortere terugverdientijd op. Van Dulst positioneert zijn nieuwe systeem precies op dat snijvlak van noodzaak en mogelijkheid. Niet als futuristische technologie, maar als praktische oplossing voor een concreet probleem: het beladen van lange profielen.
Het probleem van lange profielen
Robotbelading is op zichzelf geen nieuw fenomeen. In veel fabrieken worden kleinere onderdelen al jaren automatisch opgepakt en verwerkt. Maar lange aluminium profielen – vaak tot zes meter – vormen een ander verhaal. Ze zijn onhandig en soms ook zwaar. En ze liggen zelden netjes geordend in een krat. Traditioneel betekent dat: twee mensen aan de machine, handmatig tillen, positioneren en invoeren. Een arbeidsintensief en fysiek belastend proces, dat bovendien moeilijk is te automatiseren.
“Je hebt grote profielen aluminium, die moet je met twee man op de belading zetten”, zegt Van Dulst. “Daar hadden we eerder al een tilhulp voor. Maar nu kun je ook de resterende man eigenlijk wegnemen. Met een robot en vision.” Het verschil zit in de combinatie van mechanica en software. Waar eerdere systemen vooral afhankelijk waren van vaste patronen en vooraf gedefinieerde posities, kiest Van Dulst voor flexibiliteit.
De kern van het systeem is een 3D-visionsysteem dat per laag in een krat analyseert hoe de profielen liggen. Dat klinkt eenvoudig, maar is technisch complex. Profielen kunnen scheef liggen, tegen elkaar aan gedrukt zijn of in wisselende patronen worden gestapeld. Het systeem maakt voor elke laag een nieuw 3D-beeld en bepaalt vervolgens automatisch de volgorde van beladen, inclusief de exacte grijpposities en rotaties van de robotarm.
“Hij scant de hele laag in een krat, herkent het type profiel en bepaalt de oppakpositie, die vervolgens vertaald wordt naar as-verdraaiingen van de robot. Tevens wordt bepaald of de kop iets moet draaien voor een mogelijk scheefliggend profiel”, legt Van Dulst uit. “Daar zit de complexiteit, en het is wat wij hebben ontwikkeld.” Die softwarematige benadering maakt het systeem universeel inzetbaar. De samenstelling van een krat hoeft niet vooraf vastgelegd te worden; het systeem interpreteert de situatie ter plekke. Wel moet het type te hanteren profielen bekend zijn in de software.
‘De indeling van een krat hoeft niet meer vooraf te worden gedefinieerd’, staat ook in de technische beschrijving. ‘Het wordt volledig automatisch bepaald. Dat is een belangrijk verschil met bestaande oplossingen, die vaak beperkt zijn tot vooraf gedefinieerde posities of vaste configuraties.’
Vacuüm en bereik
Naast de software speelt ook de mechanische opbouw een rol. De robot is uitgerust met een lange arm en meerdere vacuümcups waarmee profielen van bovenaf worden opgepakt. Dat maakt het mogelijk om lange profielen in allerlei variaties te hanteren zonder complexe grijpers. De combinatie van vacuümtechnologie en vision zorgt ervoor dat de robot onafhankelijk wordt van de geometrie van het profiel. Dat is essentieel in een sector waarin de productvariatie groot is.
Opvallend is dat Van Dulst ervoor kiest om de software volledig in eigen huis te ontwikkelen. In een tijd waarin veel bedrijven software uitbesteden, gaat het bedrijf bewust een andere kant op. “We hebben drie programmeurs en huren soms iemand in”, zegt Van Dulst. “Maar zonder softwareontwikkeling kom je in de machinebouw niet meer zo ver. Als je de besturing van machines uitbesteedt, ben je afhankelijk van de buitenwacht. Dan ben je ook niet meer flexibel.”
Die keuze past bij de bredere strategie van het bedrijf, dat zowel mechanisch als elektrisch ontwerp en de realisatie in eigen beheer houdt. Met ongeveer 35 mensen in de machinebouw en 20 in de handel, combineert Van Dulst praktische engineering met commerciële slagkracht. “Onze mensen kennen meestal meerdere disciplines”, aldus Van Dulst. “Daar investeren we ook in. We hebben vaak stagiairs in het bedrijf, die we begeleiden.”
Experimenteren
De ontwikkeling van het systeem verliep relatief snel, maar vergde wel veel experimenteren. Zo werden meerdere camerasystemen getest voordat de juiste keuze was gemaakt. “We hebben drie camerasystemen geprobeerd”, zegt Van Dulst. “En dit was het beste.” Inmiddels is het bedrijf bezig met het uitwerken van concrete opdrachten en offertes, voor diverse toepassingen in de maak-industrie. De interesse vanuit de markt lijkt groot, vooral binnen de aluminiumsector.
“Wij zitten veel in aluminiumbewerking”, zegt Van Dulst. “Er zijn diverse klanten geïnteresseerd. Ook grote klanten die ons op de nominatie zetten voor aanbiedingen. Dat zijn vaak bedrijven met meerdere productielijnen, die de technologie eerst op één lijn willen testen voordat ze opschalen. Er zijn klanten met tien lijnen die zeggen: laten we er één doen en kijken of we verder uitbreiden.”
De belangrijkste drijfveer voor klanten is duidelijk: arbeid besparen. In een markt waar personeel schaars is, kan automatisering het verschil maken tussen groei en stagnatie. “Niemand heeft meer mensen die de hele dag staan te beladen”, zegt Van Dulst. “Die markt moet dus groot zijn.”
De besparing is niet alleen kwantitatief (minder mensen), maar ook kwalitatief. Door repetitief en fysiek zwaar werk te automatiseren, kunnen medewerkers worden ingezet op taken met meer toegevoegde waarde. Daarnaast maakt robotisering het mogelijk om machines langer door te laten draaien. Bijvoorbeeld tijdens de pauzes, maar ook door machines onbemand door te laten draaien, na de reguliere shift(s). Dat verhoogt de output, zonder extra personeelskosten.
Concurrentiepositie
De urgentie wordt versterkt door internationale concurrentie. Landen met lagere loonkosten blijven een reëel alternatief voor productie. “De productiviteit moet omhoog”, aldus Van Dulst. “Anders pakken Polen, Tsjechië of Roemenië de productie.”
Automatisering wordt daarmee niet alleen een efficiëntieslag, maar ook een strategisch instrument om productie in Nederland te houden. Dat sluit aan bij de bredere discussie over re-shoring en industriële autonomie. Opvallend is dat Van Dulst ondanks de technische vernieuwing niet direct erkenning kreeg in de vorm van een Award op de TechniShow. Dat is jammer volgens Van Dulst. “Wij zijn doeners”, zegt hij. “We zetten het neer op de beurs, het is nieuw, er is enthousiasme. En dan zie je een afwijzing. Bijzonder vreemd, juist wanneer de markt deze innovatie wel omarmt.”
Die reactie zegt iets over de spanning tussen innovatie en perceptie. Waar sommige innovaties spectaculair ogen maar beperkt toepasbaar zijn, richt Van Dulst zich op een praktische oplossing voor een breed probleem. “Voor onze klanten is dit het ei van Columbus”, zegt hij. “Waarom zit het niet standaard in het pakket?”
De vraag is of systemen zoals dat van Van Dulst de komende jaren de norm worden. De ingrediënten zijn aanwezig: een duidelijk probleem, bewezen technologie en een groeiende behoefte aan automatisering. Het succes zal afhangen van schaalbaarheid en integratie. Hoe eenvoudig kan het systeem worden ingepast in bestaande productielijnen? Hoe kort is de terugverdientijd? En hoe robuust is de technologie in de praktijk?
Wat duidelijk is: de richting is ingezet. Robotisering van complexe processen, ondersteund door slimme software en vision, verschuift van experiment naar praktische toepassing. Van Dulst speelt daarin een rol als pragmatische innovator. Geen groot concern, maar een bedrijf dat dicht op de praktijk staat en oplossingen ontwikkelt vanuit concrete klantvragen.
De innovatie van Van Dulst staat niet op zichzelf. Hij is onderdeel van een bredere beweging waarin de maakindustrie zich opnieuw uitvindt. Niet door grootserie-productie te verplaatsen naar lagelonenlanden, maar door slimmer en efficiënter te produceren.
Automatisering wordt daarbij geen luxe, maar een voorwaarde. Niet alleen om concurrerend te blijven, maar ook om maatschappelijke uitdagingen – zoals vergrijzing en personeelstekorten – het hoofd te bieden. In dat licht is de robotbelading van lange profielen meer dan een technische vondst. Het is een illustratie van hoe de industrie zich aanpast aan een nieuwe realiteit.
Of, zoals Van Dulst het zelf zegt: “We moeten wel.”
Na 29 jaar vertrekt Menko Eisma bij Trumpf Nederland. Hij is in die tijd van verkoper van handgereedschappen gegroeid naar algemeen directeur bij de techgigant. Zijn nieuwe baan? Directeur bij de DG Steel Group. Hij stapt in als ondernemer. “Wat me aantrekt? De snelheid van maakbedrijven, de snelheid van ondernemen.”
“Wel 22.000 keer”, zegt Menko Eisma. Zo vaak is zijn post op LinkedIn gezien, waarin hij zijn afscheid als algemeen directeur aankondigt. Het doet hem wat. Blijkbaar voelen mensen zich betrokken bij zijn wel en wee. Zijn vertrek bij Trumpf is voor hem de opening naar een nieuw avontuur. Hij wordt ondernemer bij DG Steel Group. Voor Eisma een volledig logische keuze.
Waarom ga je weg?
“Soms kom je in het leven op een kruispunt en dan neem je een andere afslag. Niet omdat het bij Trumpf niet goed is. Ik ben hier 29 jaar geleden begonnen aan een uitdaging en heb me continu kunnen ontwikkelen. Dat ontwikkelen is als het beklimmen van een berg. Als je naar de top kijkt, lijkt het alsof die niet dichterbij komt. Maar als je achteromkijkt, zie je pas wat een lange weg je hebt afgelegd. Dat zet je aan het denken: waar sta ik en waar wil ik naartoe? De berg naar beneden lopen wil ik nog niet, daar heb ik te veel energie voor. Na gesprekken met mijn gezin kwamen we tot de conclusie dat het misschien goed is om iets buiten Trumpf te zoeken.”
Je hebt 29 jaar bij Trumpf gewerkt. Wat heb je zien veranderen?
“Alles. Alles is volledig veranderd. Toen we begonnen, was de orderportefeuille van Trumpf heel klein. Twee lasersnijmachines, een straalmachine en geen buislasers. En kijk hoe breed het portfolio nu is, met alle digitale mogelijkheden. Vergeet niet, het was een heel andere tijd. Er was nog geen EU-markt. We rekenden nog met D-marken. Nu is de markt ontwikkeld tot een high-tech sector waarin automatisering, dienstverlening, hardware, digitalisering en financiering belangrijk zijn. En Trumpf heeft deze ontwikkeling mede mogelijk gemaakt.”
Zelf was je een mts’er die kwam aanwaaien.
“Ik kwam binnen en ging handgereedschappen van Trumpf verkopen. Niet in dienst van Trumpf, maar voor een Trumpf-dealer. Na twee jaar werd ik vertegenwoordiger van plaatbewerkingsmachines. Dat heb ik tot 2007 gedaan; daarna werd ik sales manager, tot 2013. Dat jaar begon ik aan een traineeship bij Trumpf en werd ik directeur van Trumpf Nederland. Mijn kracht is dat ik graag met mensen omga. Aan het begin van mijn carrière reed ik door het hele zuiden van Nederland om contacten te maken en mijn netwerk uit te breiden. Dat leverde orders op. Mensen doen namelijk graag zaken met mensen. Het persoonlijke contact is zo belangrijk. Dat is de basis om kapitaalgoederen te kunnen verkopen: de persoonlijke relatie.”
Wat was je grootste uitdaging als directeur bij Trumpf?
“Heel lastig was de snelle groei die we doormaakten. We gingen van 60 naar ruim 250 medewerkers, in 3 jaar tijd. Dat was turbulent en heel zwaar. Dat die groei, die expansie, is gelukt, daar kijk ik met trots op terug. Misschien juist omdat het zo moeilijk was om goede mensen te vinden, maar dat het met ons allen wel is gelukt.”
Ik had verwacht dat de coronaproblemen rond TechniShow in 2020 het zwaarst waren. Je was als bestuurslid van FPT-Vimag verantwoordelijk voor een beurs in een stormachtig moment.
“Daarover kan ik achteraf adviseren: ik raad iedereen aan om in een bestuur te gaan zitten. Als bestuurder van een bedrijf sta je alleen. Maar in het bestuur sta je samen. Tijdens de coronatijd was TechniShow een van de eerste grote evenementen die plotseling werden geannuleerd. Dat was een flinke klap. Veel exposanten waren boos en dat begreep ik. Maar hoe los je dat op, in een situatie waarin onduidelijk is hoe en wanneer het zal aflopen? Het was een pittige tijd. Als bestuur hebben we elkaar geregeld getroffen in die tijd. Daar heb ik niet alleen veel van geleerd, ik heb er ook goede vriendschappen aan overgehouden.”
Wat heb je persoonlijk geleerd?
“Als je wat wilt bereiken, moet je hard werken en luisteren naar anderen. Maar tegelijkertijd ook dicht bij jezelf blijven. Wees eerlijk. En ik ben blij dat ik een partner heb die me met beide benen op de grond houdt.”
Trumpf is toch een beetje de nationale top.
“Ik ben er ook heel trots op dat ik directeur van Trumpf ben. Maar tussen trots en arrogantie zit een dunne scheidslijn. Daarom wil ik expliciet zijn: wel trots, niet arrogant.”
Maar Trumpf is wel richtinggevend in de maakindustrie.
“Zeker. Als je kijkt naar de innovaties die wij in de markt hebben gebracht, zie je dat de sector daar flink van profiteert. En dat zal in de toekomst ook zo zijn. Want de innovatiebudgetten die Trumpf hanteert, laten zien dat het bedrijf nog steeds een wereldspeler is. Soms lijkt het misschien wel dat de innovatiekracht is verslapt, maar het tegendeel is waar. We hebben namelijk een stabiele installed base. Ook daar passen we onze innovaties toe, als het ware met terugwerkende kracht. We nemen daarmee de geschiedenis mee in de huidige en toekomstige innovaties. Andere bedrijven hoeven zich niet te bekommeren om hun installed base. Op die manier hebben we dus een beetje last van een remmende voorsprong.”
We hebben het hier over bedrijven uit China?
“In China gebeurt veel. En ik heb niets tegen Chinese producenten. Maar je moet wel een eerlijk speelveld hebben. Dat is nu niet zo, en daar baal ik van. Niet alleen subsidieert de Chinese overheid bedrijven, die bedrijven hoeven zich ook niet aan veiligheidseisen te houden waaraan wij ons wel houden. Wij zijn honderdduizend euro kwijt aan een omkasting vanwege Europese eisen. In andere regio’s in de wereld zijn de eisen minder hoog – en machines onveiliger. Dat willen wij niet. Waarom handhaaft de overheid daar niet meer op? Bij een eerlijk speelveld kunnen we de concurrentie met iedereen aan. Misschien moeten we in het Westen alleen nog wel een wat andere mentaliteit ontwikkelen.”
Een andere mentaliteit?
“Er is al tijden een probleem om aan personeel te komen. Als ik zie dat in bijvoorbeeld China er genoeg mensen zijn te vinden voor technische functies, vind ik het jammer dat wij in Nederland dat niet voor elkaar krijgen. Technische scholen gaan hier dicht, niemand kiest techniek. Hoe dat te veranderen? Ik weet het niet. Den Haag heeft een eigen agenda, en kleinere technische bedrijven zijn daar niet in opgenomen.”
Het gebrek aan mensen is niets nieuws. Wat is de oplossing?
“Er ligt veel potentie in smart factories. Daar hebben we met Trumpf een dominante positie in, omdat veel van onze innovaties erin samenkomen: digitalisering, automatisering, hardware, diensten en financiering. Slimme fabrieken worden steunpilaren van de Trumpf, de komende tijd. Daarbij moeten we kijken waar we nog meer het verschil kunnen maken. Er zijn grofweg drie soorten klanten: de grote bedrijven, het middengebied en de eenvoudigere machines. Die middenmarkt is vanuit Trumpf een moeilijk markt. Er is veel concurrentie en het is een echte vechtersmarkt geworden. Het hogere segment kunnen we uitstekend bedienen, en voor de markt voor eenvoudige machines hebben we nieuwe lijnen die goed passen.”
Wat ga je doen, nu je afscheid neemt van Trumpf?
“Iets leuks: ik word ondernemer bij de DG Steel Group. De DG Steel Group bestaat uit zeven gespecialiseerde metaalbedrijven die samen een breed scala aan markten en klantbehoeften bedienen. Ik mag adviezen geven, meedenken in oplossingen, en synergie uit de zeven bedrijven halen. Als directeur van de zeven vestigingen. Wat me aantrekt? De snelheid van maakbedrijven, de snelheid van ondernemen.”
Je komt uit een corporate omgeving. Ben je wel een ondernemer?
“DG Steel Group heeft 350 medewerkers. Dat is redelijk corporate. Maar wat het ondernemen betreft: ik was altijd een beetje een vreemde eend in de bijt bij Trumpf. Ik heb me juist richting het ondernemerschap ontwikkeld. En ik ben een positief mens die altijd kansen ziet. Ik denk dat dat past bij ondernemerschap. DG Steel Group is wat mij betref een voorbeeld hoe een bedrijf goed is omgegaan met de veranderende markt. Negen jaar geleden zei ik dat grote bedrijven zouden groeien en kleine bedrijven kleiner zouden worden. Die consolidatie heeft plaatsgevonden. Dat moet ook wel, want de economie is grillig – en de markt ook. Je moet in de maakindustrie dus een bepaalde massa hebben om efficiënt te zijn, maar ook om zaken als digitalisering aan te kunnen. Wij hebben bij DG Steel Group zeven bedrijven die elkaar versterken. Uit dat volume kunnen we ons voordeel halen.”
Wanneer stop je officieel bij Trumpf?
“Officieel per 1 juli. Vanaf 1 juni komt mijn opvolger (zie kader, red.). Ik heb het volste vertrouwen in hem.”
Wat ga je het meest missen?
“Mijn collega’s en mijn klanten. Maar ik krijg er veel voor terug.”
De Nevi Inkoopmanagersindex voor de Nederlandse industrie is flink gestegen, van 52,0 naar 54,4 over april, de hoogste score sinds de zomer van 2022. Vanwege de oorlog in het Midden-Oosten, die heeft geleid tot de grootste ontregeling van toeleveringsketens in bijna vier jaar tijd, zijn bedrijven aan het hamsteren geslagen.
De vraag naar Nederlandse industriële producten stijgt in het hoogste tempo in bijna twee jaar. Wel neemt de buitenlandse vraag slechts in bescheiden mate toe. De groei lijkt vooral te worden gedreven door binnenlands hamstergedrag. Nederlandse ondernemingen kochten meer onderdelen en materialen in, en voerden de productie fors op. Ook namen de voorraden ingekochte materialen toe. Zowel de inkoop- als de afzetprijzen stegen in een nog sneller tempo dan in de voorgaande maand. Behalve energie en brandstof worden ook transport en materialen zoals metalen snel duurder. De combinatie van het hamsteren van extra voorraden, groei van de productie en stijgende prijzen leidt waarschijnlijk bij veel ondernemingen tot een grotere behoefte aan werkkapitaal.
Ondanks de stijgende vraag en productie blijft het sentiment bedrukt. De verwachtingen ten aanzien van de productie in de komende twaalf maanden verbeterden nauwelijks. Kennelijk houden industriële ondernemers nog altijd hun hart vast, ook na de voorlopige wapenstilstand tussen de VS en Iran. Het optimisme dat in april zichtbaar werd op de mondiale beurzen staat op gespannen voet met het sentiment onder inkopers in de Nederlandse industrie.
Toeleveringsketens ernstig ontregeld
Zolang de Straat van Hormuz gesloten blijft voor de scheepvaart, worden toeleveringsketens steeds heviger ontregeld. Landen in het Midden-Oosten, waaronder Saudi-Arabië en de Verenigde Arabische Emiraten, zijn normaliter belangrijke exporteurs van aluminium en chemische producten, waaronder kunstmest en kunststoffen. Het grotendeels stilvallen van de export van olie en gas heeft daarnaast geleid tot de sluiting van chemische fabrieken in Oost-Azië, die van grondstoffen uit het Midden-Oosten afhankelijk zijn. De prijzen van bijvoorbeeld kunststoffen zijn sinds de oorlog met tientallen procenten gestegen. De levertijden en de inkoopprijzen stijgen in het hoogste tempo sinds bijna vier jaar tijd. Sommige Nederlandse ondernemingen weten van deze ontregeling te profiteren, zelfs in energie-intensieve sectoren. Uit recente kwartaalcijfers blijkt dat AkzoNobel de marge wist te verbeteren door de prijzen van verf fors te verhogen. Ook diverse andere chemiebedrijven met activiteiten in Nederland zagen de vraag naar hun producten vanaf maart aantrekken.
In de basismetaalindustrie verbeteren de prijzen behalve door de oorlog in het Midden-Oosten ook dankzij de introductie van het Carbon Border Adjustment Mechanism (CBAM), de nieuwe Europese invoerheffing op CO2-intensieve materialen. Importeurs van bijvoorbeeld staal moeten sinds dit jaar een invoerheffing betalen vanwege de broeikasgasuitstoot. De staalindustrie profiteert ook van meer protectionistisch beleid van de Europese Unie, die in 2025 de invoerheffingen op staal verhoogde. Vanaf juli gaan de invoerheffingen waarschijnlijk verder omhoog om de Europese staalindustrie te beschermen tegen de mondiale overcapaciteit in deze branche, die vooral het gevolg is van de problemen in de Chinese vastgoedsector van de laatste jaren. Verder kan de Europese staalindustrie profiteren van de forse investeringen van Europese Navo-lidstaten in defensie.
Nederland groeit hard dankzij AI
De Nederlandse industrie groeit harder dan de Duitse, zo blijkt onder meer uit de voorlopige inkoopmanagersindex voor Duitsland van S&P Global. De Duitse auto-industrie staat al jaren onder druk, mede door moordende Chinese concurrentie, en kreeg afgelopen jaar een extra knauw door nieuwe invoerheffingen van de Amerikaanse president Trump. Wel lijkt de Duitse auto-industrie momenteel te stabiliseren, al blijft het herstel onzeker door de nieuwe inflatiegolf die de oorlog in het Midden-Oosten heeft veroorzaakt. Door de economische onzekerheid zouden consumenten de aankoop van een nieuwe auto kunnen uitstellen. Ook loopt de rente op, wat de financiering van leaseauto’s duurder maakt.
Zeker is wel dat de productie van de Duitse defensie-industrie snel toeneemt. De Nederlandse industrie kan daarvan profiteren door onderdelen toe te leveren. De situatie in Duitsland is belangrijk; voor de Nederlandse industrie is het land de belangrijkste exportmarkt.
De Nederlandse industrie profiteert daarnaast veel meer van de omvangrijke investeringen in kunstmatige intelligentie (AI) dan veel andere landen. De vraag naar chipmachines neemt sterk toe door de enorme vraag naar chips voor datacenters. Zo meldde marktleider ASML dat het de verwachtingen voor 2026 verhoogt, doordat diens klanten investeringsplannen versneld uitvoeren. De honderden Nederlandse toeleveranciers kunnen daarvan profiteren, al bevindt een groeiend deel van de toeleveringsketen zich in Aziatische landen. Door de energiecrisis als gevolg van de oorlog in Iran blijft het herstel in 2026 onzeker, maar vooralsnog ligt de Nederlandse industrie nog steeds op koers voor forse groei.